Ministerie van Justitie
Dienst Preventie, Jeugdbescherming & Reclassering
Maart 1996
INHOUDSOPGAVE
I INLEIDING
lI BEGRIPSAFBAKENING EN ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
1 Begripsafbakening
2 Algemene uitgangspunten
III RICHTLIJNEN VOOR HET INSCHAKELEN VAN EEN EXTERN DESKUNDIGE
1 Inleiding
2 Voortraject
3 Inschakelen van een extern deskundige met toestemming van de cliënt
4 Contra-indicaties voor een extern onderzoek
5 Inschakeling van een extern deskundige zonder toestemming van de cliënt
6 Kwaliteitseisen externe deskundigen
IV RICHTLIJNEN VOOR HET VERRICHTEN VAN EEN DESKUNDIGENONDERZOEK
1 Inleiding
2 (De opzet van) het onderzoek
3 Afstemming opzet diagnostisch onderzoek op de vraagstelling van de opdrachtgever
4 Openbaarheidsregeling
5 Klachtenregeling
V RICHTLIJNEN VOOR DE AFWIKKELING VAN EEN DESKUNDIGENONDERZOEK
1 De afwikkeling van het onderzoek door de extern deskundige
2 Afwikkeling van een extern onderzoek door de opdrachtgever
VI RICHTLIJNEN VOOR HET VERRICHTEN EN DE AFWIKKELING VAN EEN
SECOND OPINION, EEN AANVULLEND ONDERZOEK OF EEN CONTRA EXPERTISE
1 Inleiding
2 Verrichten van een second opinion, een aanvullend onderzoek of een
contra-expertise door een extern deskundige
3 Afwikkeling van een second-opinion, een aanvullend onderzoek dan wel
een contra-expertise door de opdrachtgever
HOOFDSTUK I INLEIDING
In het onderhavige document zijn de richtlijnen voor het (laten) verrichten van een extern onderzoek neergelegd. Deze richtlijnen beogen de waarborgen waarmee het optreden van een extern onderzoek dient te zijn omkleed aanzienlijk te verbeteren.
De opzet van de richtlijnen luidt als volgt: Voorafgaand aan de richtlijnen voor het (laten) verrichten van een deskundigenonderzoek wordt in hoofdstuk II een omschrijving gegeven van de begrippen die in de richtlijnen worden gebruikt. Tevens worden in dit hoofdstuk de algemene uitgangspunten geformuleerd die bij het uitwerken van de richtlijnen in acht zijn genomen.
In hoofdstuk III zijn de richtlijnen neergelegd die door de raad voor de kinderbescherming en de voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen dienen te worden gehanteerd bij het inschakelen van een extern deskundige. Hoofdstuk N geeft de richtlijnen die leidraad dienen te zijn bij het doen van een extern deskundigenonderzoek. Hierop volgend zijn de richtlijnen voor de afwikkeling van een deskundigenonderzoek geformuleerd in hoofdstuk V.
Bij de herziening van het familieprocesrecht (Stb. 1994, 570) is in artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor de ouder een recht op contra-expertise opgenomen. Dit was reden in een afzonderlijke hoofdstuk (hoofdstuk
VI) richtlijnen te geven voor het verrichten en de afwikkeling van zowel een second
opinion, een aanvullend onderzoek alsmede een contra-expertise.
De geformuleerde richtlijnen gelden van 1 april 1996 tot 1 januari 1999. De (werking van de) richtlijnen worden in het begin van 1998 geëvalueerd.
HOOFDSTUK II BEGRIPSAFBAKENING EN ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
1 Begripsafbakening
In de onderhavige richtlijnen worden diverse begrippen gebruikt die voor meerdere uitleg vatbaar zijn of nader dienen te worden omschreven. Het gaat hierbij in het bijzonder om de hierna genoemde begrippen, waaronder het volgende wordt verstaan:
| - cliënt | degene die onderwerp is van het onderzoek. Hieronder wordt in ieder geval het kind, en in een groot aantal zaken ook de met het gezag belaste ouder(s) of voogd, verstaan. |
| - betrokkene | een ieder die deel uit maakt van het cliëntsysteem. Betrokkenen kunnen onder meer zijn (indien geen cliënt) de (met het gezag belaste) ouders, de pleegouders, de stiefouders, de grootouders of overige gezinsleden. |
| - opdrachtgever | de persoon die of de instantie die de vraagstelling
voorlegt aan de extern deskundige.
In deze richtlijnen wordt onder opdrachtgever ver staan de raad voor de kinderbescherming en de (ge zins-)voogdij-instellingen. |
| - extern deskundige | een gedragswetenschapper (te weten: een (ortho)pedagoog, een klinisch psycholoog, een ontwikkelings psycholoog) of een (kinder)psychiater die niet in dienst is van of verbonden is aan een opdrachtgever. |
| - intern deskundige | gedragswetenschapper of kinderpsychiater in dienst van of verbonden aan de opdrachtgever |
| - informant | een ander dan de cliënt of de betrokkene, aan wie in het kader van het (extern) onderzoek informatie wordt gevraagd. |
2 Algemene uitgangspunten
Bij het opstellen van de richtlijnen zijn de volgende algemene uitgangspunten in acht genomen:
Bij het formuleren van de richtlijnen die leidraad zijn bij het doen van een extern onderzoek, hebben de volgende uitgangspunten voorop gestaan:
De richtlijnen zijn ook van toepassing op de minderjarige cliënt. Met betrekking tot de regeling van de rechtspositie van de minderjarige cliënt is aangesloten bij de vigerende regelgeving (vergelijk onder meer de Wet op de Jeugdhulpverlening
(Stb. 1989, 358), de Wet tot herziening van het familieprocesrecht (Stb. 1994, 570), de Wet omtrent de overeenkomst inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst
(Stb. 1994, 837) en de Wet tot herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling
(Stb. 1995, 255)).
De verplichtingen die voor de opdrachtgever en de extern deskundige voortvloeien uit de richtlijnen dienen eveneens te worden nagekomen jegens de minderjarige cliënt van twaalf jaar en ouder, die tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. Heeft de minderjarige cliënt de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaar bereikt, dan gelden deze verplichtingen tevens jegens de met het gezag belaste
ouder(s) of voogd van de minderjarige.
Heeft de minderjarige cliënt de leeftijd van twaalf jaar nog niet bereikt, dan worden de uit de richtlijnen voortvloeiende verplichtingen door de opdrachtgever en de extern deskundige nagekomen jegens de met het gezag belaste
ouder(s) of voogd van de minderjarige. Hetzelfde geldt indien de minderjarige cliënt de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, maar niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Hierbij moet worden opgemerkt, dat ook deze minderjarigen het recht hebben hun mening te uiten. De opdrachtgever en de extern deskundige moeten aan die mening van de minderjarige passend belang hechten, in overeenstemming met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van het kind.
| HOOFDSTUK III | RICHTLIJNEN VOOR HET INSCHAKELEND VAN EEN EXTERN DESKUNDIGE |
1 Inleiding
In vervolg op de aanbevelingen die werden gedaan door de commissies Gijsbers en Vliegenthart is er binnen de jeugdbescherming inhoud gegeven aan het multidisciplinair werken. Uitgangspunt van het beleid is, dat als van overheidswege wordt opgetreden, dit gebeurt op basis van een deskundig onderzoek en dat bij de beoordeling van de situatie uiterste zorgvuldigheid wordt betracht. Zorgvuldigheid op basis van deskundigheid is een eerste vereiste wanneer de overheid zo diep ingrijpt in het privé-leven van burgers als in de jeugdbescherming gebeurt.
In het onderhavige hoofdstuk worden richtlijnen geformuleerd die aangeven wanneer een intern deskundige dient te worden geraadpleegd bij de besluitvorming om al dan niet een extern deskundige in te schakelen. Tevens worden zorgvuldigheidsregels gegeven die de opdrachtgever naar de cliënt toe in acht moet nemen wanneer een extern deskundige wordt ingeschakeld. Aan welke kwaliteitseisen deze extern deskundige dient te voldoen, is opgenomen onder punt 6 van dit hoofdstuk.
2 Voortraject
Bij het inschakelen van een extern deskundige is het van groot belang dat er een vraagstelling wordt voorgelegd, die uitsluitend van gedragswetenschappelijk aard is en is afgestemd op de in te schakelen discipline. Om dit te realiseren dient - indien aanwezig - gebruik te worden gemaakt van de bij de raad voor de kinderbescherming of de instelling voor
(gezins-)voogdij werkzame intern deskundige, die op grond van zijn kennis adviseert met betrekking tot de te ontwikkelen vraagstelling en het daarbij passende specialisme dat moet worden ingeschakeld.
In principe is het uitgangspunt dat er géén vooroverleg plaatsvindt tussen de opdrachtgever en de extern deskundige. Echter een zeer complexe zaak kan aanleiding geven voor de opdrachtgever om, voorafgaand aan een opdracht voor onderzoek, informatie in te winnen bij een extern gedragsdeskundige met betrekking tot zijn specialisme. Dit met als doel vast te kunnen stellen of de gedragsdeskundige beschikt over de specifieke kennis die nodig is voor de betreffende casus.
Voorwaarden hierbij zijn dat:
3 Inschakelen van een extern deskundige met toestemming van de cliënt
In beginsel bepaalt de raad voor de kinderbescherming of een instelling van (gezins)voogdij of een extern onderzoek gewenst is. Deze beslissing van de raad of instelling wordt met de cliënt besproken. In overleg met de cliënt, die moet instemmen met het extern onderzoek, wordt bepaald
welk(e) extern deskundige(nbureau) wordt ingeschakeld om het onderzoek uit te voeren. Uiteraard dient de extern deskundige te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals beschreven onder punt 6.
Bestaat tussen de raad voor de kinderbescherming of de (gezins-)voogdij-instelling en de cliënt overeenstemming over het te verrichten externe onderzoek en over de in te schakelen deskundige, dan kan de raad of de instelling deze deskundige zelf inschakelen. Tussenkomst van een
(kinder)rechter is in deze gevallen niet vereist.
Na interne besluitvorming tot een extern onderzoek, stelt de opdrachtgever eer concept-brief op aan de extern deskundige. De volgende procedure dient hierbij in acht te worden genomen:
De concept-brief wordt door de raadsonderzoeker/gezinsvoogd met de cliënt besproken. De reacties, alsook het gegeven dat de cliënt bereid is zijn medewerking te verlenen aan het extern deskundigenonderzoek, worden in de definitieve brief opgenomen. Deze brief dient vergezeld te gaan van de dossierstukken, die voor (de uitvoering van) de opdracht relevant zijn (zoals de raadsrapportage,-de schoolverslagen,
e.d.). De cliënt krijgt een afschrift van de definitieve brief.
4 Contra-indicaties voor een extern onderzoek
Tijdens het onderzoek van de raad voor de kinderbescherming of tijdens de duur van een kinderbeschermingsmaatregel kunnen door de
ouder(s) of door de begeleidende hulpverlenende instellingen) contra-indicaties voor een (extern) deskundigenonderzoek naar voren worden gebracht. Daarbij kan bij voorbeeld worden gedacht aan de verstoring van een therapeutische behandeling van een
psychotherapeut(e). Deze contra-indicaties dienen in het team van raadsonderzoeker/gezinsvoogd en intern deskundige onder leiding van de praktijkleider/teamleider te worden besproken.
De opgevoerde contra-indicaties die door de intern deskundige worden onderzocht, worden betrokken in de besluitvorming om een extern deskundige in te schakelen. Besluit de opdrachtgever voorbij te gaan aan de geformuleerde contra-indicaties dan dient hij dit onder opgave van redenen in zijn aanmeldingsbrief aan de extern deskundige aan te geven.
Deze procedure ontslaat de extern deskundige echter niet van een eigen verantwoordelijkheid. Gelet op de geformuleerde contra-indicaties en de redenen die in de aanmeldingsbrief van de opdrachtgever staan vermeld, moet de extern deskundige zelf beoordelen of het deskundigenonderzoek onnodige schadelijke gevolgen kan hebben voor de cliënt. Is de extern deskundige van mening dat het deskundigenonderzoek schadelijke gevolgen heeft of kan hebben voor de cliënt, dan wijst hij het verzoek om het onderzoek te verrichten met redenen omkleed af.
5 Inschakeling van een extern deskundige zonder toestemming van de cliënt
Stemt de cliënt en/of -indien de cliënt minderjarig is en de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt - de met het gezag belaste
ouder(s) of voogd niet in met een extern onderzoek, met de geformuleerde vraagstelling en/of met de
benoeming van een bepaalde extern deskundige, dan zal de opdrachtgever in onderling overleg met de cliënt alsnog ter zake tot overeenstemming trachten te komen.
Blijkt dit niet mogelijk dan kan - in die gevallen waarin geen rechtsgeding aanhangig is - om een ernstige bedreiging voor een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van het kind te voorkomen, in de weigering van de cliënt om mee te werken aan een onderzoek, voor de raad voor de kinderbescherming een grond worden gevonden om een maatregel van kinderbescherming te verzoeken (mits overigens is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt voor het treffen van een maatregel). Voor de gezinsvoogdij-instelling staat in een dergelijk geval de mogelijkheid open om in het kader van de uitvoering van de maatregel van ondertoezichtstelling aan de cliënt een aanwijzing te geven. Ingevolge de artikelen 259 en 260 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder deze aanwijzing ter toetsing aan de kinderrechter voorleggen.
6 Kwaliteitseisen externe deskundigen
De extern deskundige die voor de opdrachtgever onderzoek verricht dient lid te zijn van een beroepsvereniging en daarbij geregistreerd te zijn als diagnostisch bevoegd waarbij deze twee jaar onder supervisie ervaring heeft opgedaan in de
kinder- en jeugdpsychologie c.q. -psychiatrie.
Een extern deskundige die voor de raad of voor een instelling onderzoek verricht, dient per 1 januari 1997 aan genoemde eis te voldoen.
| HOOFDSTUK IV | RICHTLIJNEN VOOR HET VERRICHTEN VAN EEN DESKUNDIGENONDERZOEK |
1 Inleiding
De in dit hoofdstuk opgenomen richtlijnen die leidraad dienen te zijn bij het doen van een extern deskundigenonderzoek hebben betrekking op de opzet en de afronding van het onderzoek. De uitvoering en methoden van onderzoek vallen buiten het bereik van de richtlijnen; hiervoor is uiteindelijk de onderzoeker zelf verantwoordelijk.
2 (De opzet van) het onderzoek
De extern deskundige licht de cliënt in het eerste gesprek op duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk in over de opzet en werkwijze van het onderzoek. Tevens wijst hij de cliënt op zijn rechten (bij voorbeeld het inzagerecht of het recht om een klacht in te dienen bij het onderzoeksbureau of bij de beroepsvereniging). Hiertoe krijgt de cliënt ook schriftelijk informatiemateriaal (folders) uitgereikt. De extern deskundige licht de minderjarige cliënt op zodanige wijze in als past bij zijn bevattingsvermogen.
De extern deskundige kan voor het verrichten van zijn onderzoek gebruik maken van informanten. Dit dient hij vooraf met de cliënt te bespreken. Deze moet voor de informatie-inwinning toestemming verlenen. De informatie-uitwisseling kan zowel mondeling als schriftelijk geschieden. In ieder geval dient de informatie-uitwisseling te worden vastgelegd en voor akkoord te worden ondertekend door de informant. Vervolgens dient deze verklaring opgenomen te worden in het dossier van de cliënt. Indien de cliënt de externe deskundige verzoekt bepaalde informanten te raadplegen, dient deze dat schriftelijk en met redenen omkleed te doen. Indien de externe deskundige besluit hieraan geen gevolg te geven, dan motiveert hij zijn besluit in de rapportage.
Met betrekking tot de ontwikkelingen tijdens het onderzoek wordt door de extern deskundige de grootst mogelijke openheid naar de cliënt toe betracht. Zo zal de cliënt zo spoedig mogelijk schriftelijk ervan in kennis worden gesteld wanneer de extern deskundige tijdens het onderzoek wijzigingen aanbrengt ten aanzien van de geschetste opzet van het onderzoek (zoals bij voorbeeld bij het inschakelen van een andere discipline). Ook hiervan wordt een aantekening gemaakt in het dossier. Tevens brengt de extern deskundige de cliënt ervan op de hoogte indien het onderzoek niet binnen de termijn die in de
aanmeldingsbrief (zie hoofdstuk Hl, onder 3) is gesteld, kan worden afgerond. Ook de opdrachtgever wordt hiervan in kennis gesteld.
Gegeven het algemene uitgangspunt dat gedragswetenschappelijk diagnostisch onderzoek is gericht op verklaring en inzichtelijk maken van aangetroffen problematiek op grond waarvan gedragswetenschappelijke advisering kan plaats vinden, is het niet noodzakelijk om het gebruik van audio-visuele apparatuur voor te schrijven. Indien een extern deskundige met betrekking tot wetenschappelijk onderzoek gebruik maakt van audio-visuele apparatuur, dient de bewaartermijn van het materiaal gelijk te worden gesteld aan de bewaartermijn van de onderzoeksgegevens.
3 Afstemming opzet diagnostisch onderzoek op de vraagstelling van de opdrachtgever
Naar aanleiding van de opdracht en/of de beschikbaar gestelde stukken kan de extern deskundige, vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid voor het diagnostisch onderzoek, nadere informatie van de opdrachtgever wensen, alvorens hij tot onderzoek overgaat. Te denken valt hierbij aan nadere specificering van en/of uitleg over de vraagstelling of over de beschikbaar gestelde gegevens. Ook kan hij vanuit zijn deskundigheid uitbreiding dan wel beperking van de te betrekken disciplines in het onderhavige onderzoek voorstellen.
Om te voorkomen dat uitwisseling van informatie tussen opdrachtgever en de extern deskundige zich aan het gezichtsveld van de cliënt onttrekt, dient hierover naar de cliënt toe de grootst mogelijke openheid te worden betracht. Leidt de informatie-uitwisseling tot een nadere of andere vraagstelling dan moet de cliënt hiervan schriftelijk op de hoogte worden gesteld.
4 Openbaarheidsregeling
De extern deskundige verstrekt aan de cliënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden die zich in het dossier van de cliënt bevinden. De verstrekking kan (geheel of gedeeltelijk) achterwege blijven voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. Indien de extern deskundige bezwaar heeft tegen de geheel of gedeeltelijke inzage van of afschrift van bescheiden uit het dossier, doet hij daarvan schriftelijk en gemotiveerd mededeling aan de cliënt en aan de opdrachtgever. De extern deskundige mag voor de verstrekking van het afschrift een redelijke vergoeding bij de verzoeker in rekening brengen.
De extern deskundige verstrekt aan anderen dan de cliënt geen inlichtingen over de cliënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van de cliënt. Ook hierbij geldt dat verstrekking alleen geschiedt voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt geschaad. Onder anderen dan de cliënt zijn niet begrepen de opdrachtgever en de met het gezag belaste
ouder(s) of voogd, indien de minderjarige cliënt de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt. Inlichtingen over de minderjarige cliënt, dan wel inzage in of afschrift van bescheiden kan evenwel aan de met het gezag belaste ouder of voogd worden geweigerd, indien de extern deskundige door het verstrekken van inlichtingen over, inzage in of afgifte van bescheiden niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen. Zodanige beslissingen dienen duidelijk te worden gemotiveerd en schriftelijk te worden vastgelegd.
Een extern deskundige(nbureau) treft een schriftelijke regeling waarin het recht op inzage in en afschrift van gegevens, alsmede de beperkingen aan het verstrekken van inlichtingen en inzage - zoals hierboven weergegeven - worden neergelegd. Deze regeling wordt bij de aanvang van het onderzoek aan de cliënt beschikbaar gesteld.
5 Klachtenregeling
Zoals staat vermeld in hoofdstuk Hl, onder 6 moet een extern deskundige die voor een opdrachtgever onderzoek verricht lid zijn van een beroepsvereniging en daarbij staan geregistreerd als diagnostisch bevoegd. Aansluiting bij een beroepsvereniging betekent dat de deskundige is gehouden aan de door de organisatie vastgestelde beroepscode. Dit biedt de cliënt de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij een daarvoor ingesteld college, indien hij van mening is dat een extern deskundige zich niet aan de beroepscode houdt. Ook wanneer een extern deskundige werkzaam is binnen een maatschap, dan wel werkzaam is in dienst van of werkzaamheden verricht voor een onderzoeksbureau, bestaat voor de cliënt de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de beroepsvereniging.
Bovenstaande laat echter onverlet, dat ook de onderzoeksbureaus (*)
afzonderlijk dan wel collectief) over een (gezamenlijke) regeling voor de behandeling van klachten kunnen beschikken. Deze klachtenregeling dient met voldoende (rechts)waarborgen te zijn omkleed. De criteria waaraan de klachtenregeling dient te voldoen, omvatten onder meer de volgende punten.
De klachtenregeling:
a. geeft aan waarover kan worden geklaagd (groep klachtgerechtigden);
b. voorziet in een omschrijving van de beklaggrond;
c. voorziet in een omschrijving van de klachtprodedure;
d. voorziet erin dat de klachten van de klagers/cliënten worden behandeld door een klachtencommissie die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor de extern deskundigen(bureaus);
e. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht betrekking heeft;
f. waarborgt dat de klachtencommissie binnen een in de regeling vastgelegde termijn na indiening van de klacht de klager en degene over wie is geklaagd schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van haar oordeel over de (gegrondheid van de) klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen;
g. waarborgt dat bij afwijking van de onder f bedoelde termijn de klachtencommissie daarvan met redenen omkleed mededeling doet aan de klager en degene over wie is geklaagd, onder vermelding van de termijn waarbinnen de klachtencommissie haar oordeel over de klacht zal uitbrengen;
h. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, door de klachten commissie in de gelegenheid worden gesteld mondeling of schriftelijk een toelichting te geven op de klacht;
i. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, zich bij de behandeling van de klacht kunnen laten bijstaan.
De klachtenregeling wordt in een klachtreglement vastgelegd en (bij voorkeur
in het eerste contact) aan de cliënt ter beschikking worden gesteld.
| HOOFDSTUK V | RICHTLIJNEN VOOR HET AFWIKKELEN VAN EEN DESKUNDIGENONDERZOEK |
1 De afwikkeling van het onderzoek door de extern deskundige
Na de afronding van het onderzoek dient de cliënt door de extern deskundige in de gelegenheid te worden gesteld de concept-rapportage te bespreken en zijn mening over de rapportage naar voren te brengen. Indien er van de zijde van de cliënt daar geen bezwaar tegen bestaat, kan de opdrachtgever bij deze
bespreking aanwezig zijn. Het door de cliënt geleverde commentaar wordt (door middel van een bijlage) aan het definitieve rapport toegevoegd. Indien de cliënt niet in staat blijkt om tijdens de bespreking van de rapportage zijn commentaar te formuleren, wordt hem de mogelijkheid geboden om binnen een redelijke termijn alsnog zijn commentaar kenbaar te maken. De opdrachtgever wordt hiervan in kennis gesteld. De extern deskundige verwerkt het commentaar in het definitieve rapport en stelt de cliënt hiervan op de hoogte.
Tijdens en na de afronding van het onderzoek heeft de cliënt het recht op verbetering, aanvulling of verwijdering van feitelijke gegevens die - op hem/haar betrekking hebbende - zijn opgenomen in het dossier/rapport, indien hij kan aantonen dat de opgenomen gegevens onjuist of onvolledig of, gezien de doelstelling van het onderzoek, niet ter zake doende zijn. Het verzoek tot correctie, aanvulling en verwijdering van gegevens dient schriftelijk te geschieden. De extern deskundige bericht de cliënt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 4 weken, na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering dient door de extern deskundige met redenen te worden omkleed.
De rapportage zoals het uiteindelijk is vastgesteld, wordt door de extern deskundige afgegeven aan de cliënt (zie hoofdstuk
III, onder 4).
Van belang is bij afgifte van rapportage dat de nadruk wordt gelegd op de beperkte gebruiksduur van de rapportage. De extern deskundige bewaart het rapport en de overige bescheiden gedurende vijf jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij zijn vervaardigd.
2 Afwikkeling van een extern onderzoek door de opdrachtgever
De opdrachtgever beoordeelt de rapportage van de extern deskundige. Daarbij dient hij - indien aanwezig - gebruik te maken van een materie-deskundige zoals de intern deskundige. De intern deskundige dient te bezien of de extern deskundige in zijn rapportage de vraagstelling afdoende heeft beantwoord.
Indien de intern deskundige van mening is dat de vraagstelling onvoldoende is beantwoord, schakelt hij de
praktijkleider/teamleider en de raadsonderzoeker/gezinsvoogd in. In samenspraak met dezen wordt een schriftelijke reactie geformuleerd gericht aan de extern deskundige. De reactie kan een verzoek om aanvullende informatie inhouden, dan wel opheldering vragen over de beschreven bevindingen. De cliënt wordt hiervan op de hoogte gesteld. Vervolgens zal de extern deskundige de vraagstelling beantwoorden, waarbij hij de in hoofdstuk N beschreven richtlijnen met betrekking tot het verrichten van een extern onderzoek in acht dient te nemen.
Indien de vraagstelling afdoende is beantwoord, gebruikt de opdrachtgever de rapportage om te komen tot een beslissing in de zaak. In de rapportage die wordt verzorgd door de opdrachtgever worden de argumenten voor de beslissing onderbouwd met verwijzingen naar de rapportage van de extern deskundige.
| HOOFDSTUK VI | RICHTLIJNEN VOOR HET VERRICHTEN EN DE AFWIKKELING VAN EEN SECOND-OPINION, EEN AANVULLEND ONDERZOEK OF EEN CONTRA-EXPERTISE |
1 Inleiding
Het is mogelijk dat een cliënt, nadat hij zijn medewerking heeft verleend aan een deskundigenonderzoek, de bevindingen van de deskundige en de conclusies die daaraan worden verbonden niet kan onderschrijven. De cliënt kan de opdrachtgever dan verzoeken de zaak aan een andere deskundige voor te leggen.
Daarbij zijn te onderscheiden:
De opdrachtgever heeft de beleidsvrijheid om te bepalen of hij aan het verzoek van de cliënt gehoor geeft. Indien de opdrachtgever van mening is dat er voldoende feitelijke gegevens beschikbaar zijn om tot oordeelsvorming te kunnen komen, kan hij weigeren op het verzoek van de cliënt in te gaan. Indien de opdrachtgever positief op het verzoek van de cliënt besluit, zullen de opdrachtgever en de extern deskundige zich dienen te houden aan de procedure zoals omschreven onder de punten 2 en 3.
2 Verrichten van een second opinion, een aanvullend onderzoek of een contra-expertise door een extern deskundige
3 Afwikkeling van een second-opinion, een aanvullend onderzoek dan wel een contra-expertise door de opdrachtgever
Bij de afwikkeling van de second-opinion, het aanvullend onderzoek dan wel de contra-expertise verricht in opdracht van de raad voor de kinderbescherming of een instelling voor
(gezins-)voogdij zijn de richtlijnen zoals geformuleerd in hoofdstuk V, onder 2, van overeenkomstige toepassing. De resultaten van de contra-expertise dan wel de
second-opinion dienen, nadat de intern deskundige het rapport heeft beoordeeld op beantwoording van de vraagstelling, door het multidisciplinaire team van de opdrachtgever de resultaten vergeleken te worden met de resultaten van het eerste extern deskundigenonderzoek. Vervolgens dient het team te bezien welke consequenties hieruit kunnen worden getrokken voor de eigen rapportage en eerder genomen beslissing(en). In de definitieve rapportage van de opdrachtgever zal duidelijk moeten worden beschreven op grond van welke bevindingen/resultaten men tot advisering is gekomen en waarom (indien van toepassing) men is afgeweken van eerder ingenomen standpunt.
voetnoot "onderzoeksbureau": Hierbij kan tevens worden gedacht aan regionaal ingestelde commissies waarvan ook de cliënten van zelfstandig gevestigde extern deskundigen gebruik kunnen maken.
-oOo-